Skip to main content Scroll Top

De 3 vragen van...

Vraag 1: Wat zijn en voor en nadelen van hoogbegaafdheid?

Dat is voor iedereen verschillend. De voordelen zijn vooral dat je bijna alles kan doen en worden wat je wil. Je begrijpt heel veel en snapt sneller hoe dingen in elkaar zitten. Er zijn weinig beperkingen voor je en dat geldt natuurlijk niet voor andere mensen. Aan de andere kant begrijpen mensen je vaak niet en moet je daar echt mee leren omgaan. Dat laatste leren we eigenlijk tot nu toe niet vanzelf waardoor veel hoogbegaafden in de knoei komen met zichzelf en de wereld om zich heen. Dat geeft vaak veel pijn en verdriet. Maar gelukkig leren kinderen al steeds vroeger hoe ze er mee om kunnen gaan en zullen ze hopelijk steeds minder problemen ondervinden.

 

Vraag 2: Is het beter voor hoogbegaafde kinderen om op een gewone school te blijven of moeten ze naar een speciale school?

Ik vind het op dit moment beter om ze op een speciale school te zetten. Ze hebben zulke andere dingen nodig, dat in een gewone klas ze altijd veel tekort komen. Ook hebben ze dan veel meer mogelijkheden om vriendschappen te ontwikkelen, wat voorkomt dat hun zelfvertrouwen erg beschadigd en ze gaan denken dat ze heel vreemd zijn. Ze zien dan dat ze echt niet de enige zijn.  Uiteraard moeten ze goed leren waarom ze daar zitten en dat dat niet betekent dat ze daarmee beter of meer zijn dan andere mensen. Ze hebben alleen gaven waar anders mee omgegaan moet worden. De wereld zit vol verschillen en andere behandelingen, dus het is een beetje raar dat we vinden dat hoogbegaafde- en niet-hoogbegaafde kinderen perse bij elkaar moeten zitten en met elkaar om moeten leren gaan. Dat vragen we ook niet van andere kinderen die heel anders zijn. We hebben wel speciaal onderwijs voor allerlei andere omstandigheden maar voor deze kinderen die dat ook nodig hebben, mag het ineens niet. Heel vreemd eigenlijk.

 

Vraag 3: Hoe kan je bij jonge kinderen zien dat ze hoogbegaafd zijn?

Door goed naar ze te kijken kun je merken dat ze voor zijn op hun leeftijdsgenootjes, dingen sneller doen. Niet altijd direct met lezen en schrijven, maar vooral in denken. In vragen die ze stellen, gedachten die ze uitspreken. Ze zullen andere kinderen meestal niet snel pesten, spullen kapot maken e.d. omdat ze beter snappen dat ze een ander kindje daar verdriet mee doen. Samenwerken vinden ze vaak erg moeilijk omdat ze niet goed kunnen uitleggen wat ze in hun hoofd hebben of omdat de andere kinderen dingen doen die in hun ogen niet goed zijn (krassen buiten de lijntjes, zich niet aan de opdracht houden e.d.)
Ze kijken vaak bijzonder helder uit hun ogen en kijken ‘volwassener’. Hierin moet je je niet vergissen. Ze kijken wel volwassen en kunnen veel begrijpen maar missen nog heel veel van wat volwassenen kunnen om er goed mee om te gaan.

error: Content is protected !!